Portretfoto Ineke Glissenaar

Ineke Glissenaar

“Op z’n Inekes”: alle perspectieven overzien en situationeel ondersteunen

Interview met Ineke Glissenaar over haar geleerde lessen

Eigenlijk is iedereen in het jeugdhulpdomein ermee bezig: voorkomen van uithuisplaatsing. Dat betoogt Ineke Glissenaar, ontwikkelaar bij het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ). Want uiteindelijk is voorkomen dat een kind uit huis wordt geplaatst het allerhoogste doel en draagt iedereen met specifieke veranderingen daaraan bij.

In de afgelopen drie jaar heeft Glissenaar eerst in 20 jeugdhulpregio’s opgehaald wat jeugdhulp, professionals en cliënten nodig hebben om daartoe hun werk het beste te doen. Vervolgens heeft ze met een aantal regio’s en landelijke partijen gewerkt aan verbeteringen. Lees hieronder haar bevindingen.

Specifieke focus

Wat Ineke Glissenaar anders maakt dan andere ontwikkelaars voorkomen uithuisplaatsing, is de toevoeging: ‘door het versterken van gezinnen en hun omgeving’. Met deze specifieke focus is ze drie jaar geleden op pad gegaan in ongeveer 20 regio’s, om in eerste instantie in gesprek te gaan met contactpersonen van jeugdhulpregio’s. Waarom wilden zij ondersteuning bij het voorkomen van uithuisplaatsing? Wat was hun vraag achter die vraag? Vervolgens sprak Glissenaar met actoren in het werkveld, om te achterhalen waar volgens hen de nadruk op moet liggen bij voorkoming uithuisplaatsing. En dit doet Ineke op geheel eigen wijze, “op z’n Inekes”. Ze wisselt per gesprekspartner van perspectief, vult die altijd aan met andere perspectieven voor het complete plaatje. Ze schakelt makkelijk van operationeel naar tactisch of strategisch niveau en ondersteunt situationeel naar behoefte.

Ondersteuning bij voorkomen uithuisplaatsing

Een dergelijk profiel is nodig voor het hete hangijzer dat voorkomen uithuisplaatsing is. Driekwart van de jeugdhulpregio’s had namelijk aangegeven dat zij ondersteuning wensten bij voorkomen van uithuisplaatsing. Zij waren er al mee aan de slag en voor velen was dit een heikel punt. Het kost veel geld en is vaak traumatisch voor kinderen die uit huis worden geplaatst. Sterker nog: gemiddeld 80 procent van het regiobudget ging op aan 20 procent van de hulpvragers die uit huis waren geplaatst. Daarmee is uithuisplaatsing en de behandelingen in dat kader de grootste kostenpost van een gemeente. Om dit probleem goed aan te kunnen pakken, is allereerst overzicht nodig. Uit haar gesprekken heeft Glissenaar 5 focuspunten gedestilleerd om mee aan de slag te gaan, die ze graag met ons deelt.

‘Het krijgen van sociale steun blijkt een van de belangrijkste factoren voor het overkomen en verhelpen van nadelige ervaringen.’

1. Zorg voor de big five voor gezinnen

Glissenaar: ‘Zorg als gemeente dat je sterk inzet op de big five voor gezinnen: werk, financiën, huisvesting, zorg en support. Er lopen veel projecten op deze vlakken in Nederland. Daarom creëer ik bewustwording daarover bij alle actoren, zodat ze weten waar ze kunnen aankloppen. Vaak houdt dit in de goede vragen stellen: heeft jeugdhulp binnen de gemeente het bijvoorbeeld wel eens met wonen of veiligheid over woningen in wijken die als crisisopvang kunnen dienen? Zo kan er, zonder iemand volledig uit de eigen omgeving te halen, gewerkt worden aan traumabehandeling door bijvoorbeeld huiselijk geweld. Het is erg belangrijk dat gemeenten sociaal domein-breed kunnen handelen. Kijk eerst naar de context van het gezin en los eerder bestaanszekerheidsproblemen op. Hiermee stel je opvoeders in staat weer regie te nemen over hun leven, neem je toxische stress bij hen weg en kunnen ze er beter zijn voor hun kinderen.’

2. De waarde van sociale steun en Adverse Childhood Experiences (ACEs)

‘ACEs, zogeheten “nadelige jeugdervaringen” in de jeugd, vormen als ze in veelvoud voorkomen een belangrijke bron voor mogelijke problemen in het latere leven. Deze inzichten – die al langer in de Verenigde Staten bestaan door onderzoek onder 17.000 mensen – geven aan dat als je ACEs hebt meegemaakt, je meer ontvankelijk bent voor psychische, fysiologische, neurologische en fysieke aandoeningen. Zo zouden mensen met vier of meer ACEs in de jeugd, drie keer zo veel kans maken op kanker of hartproblemen in hun latere leven. En gemiddeld 20 jaar korter leven. Armoede en verwaarlozing in welke vorm dan ook zijn de belangrijkste vormen van nadelige jeugdervaringen. Daar tegenover staan bevorderende elementen, die ACEs kunnen tegenwerken. Het krijgen van sociale steun blijkt een van de belangrijkste factoren voor het overkomen van nadelige ervaringen. Mensen zijn sociale dieren en zonder contact met een ander gaan we dood. ‘Ik heb gekeken naar twee kanten van die sociale steun, die belangrijk zijn voor burgers in het algemeen en professionals in het bijzonder:

3. Hoe versterk ik informele steun?

Als overheid moet je vooral de sociale steunstructuur, die er vaak wel is in families en omgeving, niet direct beleggen bij professionals. Je wilt de sociale structuur die er is verstevigen en versterken. Faciliteer dat als gemeente. Kijk naar wat bevorderend werkt en doe dat samen met je burgers. We zien in de jeugdhulp de laatste jaren dat alledaagse vragen steeds meer worden neergelegd bij formele instanties. Platgezegd is het idee “voor problemen ga ik naar een professional”. Maar dat kan vaak ook in de eigen gemeenschap worden opgelost.

‘De intergenerationele gelaagdheid wordt niet meegenomen in de financiering of in het kunnen samenwerken van professionals.’

4. Hoe breng ik informele steun beter in positie, als er sprake is van hulpverlening?

Professionals moeten cliënten leren de relaties onderling weer te activeren en vitaliseren. Hulpvragers, zo blijkt uit onderzoek, willen het wel zelf oplossen, maar weten vaak niet echt hoe. Laat (schriftelijk) ook weten dat je een belangrijke ander mag meenemen bij een afspraak. Er zijn ook voorbeelden te over hoe professionals “omdenken” met hulpvragers, bijvoorbeeld even bijtanken in recreatiewoning van familielid. In plaats van de kinderen (tijdelijk) thuis weg. Daar liggen de sleutels.’

5. De-escaleren van veiligheidsproblemen

‘In Amsterdam hadden ze de aanname dat van de jeugdigen in jeugdbescherming 70 procent van de ouders (een of beiden) een psychische stoornis of aandoening heeft. Professionals die zich over die gezinnen ontfermden, bleken niet adequaat getraind te zijn om met die ouders om te gaan. Bijvoorbeeld omdat ze niet wisten dat zij met die problematiek te maken hadden. Toen is er als experiment besloten sociaalpsychiatrisch verpleegkundigen (SPV’ers) met de gezinsvoogd mee op huisbezoek te sturen. Die SPV’er viel juist op dat er sprake is van een stoornis bij ouder(s) en dat er (daarom) niet goed werd geleveld door de professional. Deze kennis is van grote waarde voor de rest van het land. Want veiligheid kan alleen goed worden ingeschat, als de basisvoorwaarden worden meegenomen.’

6. Verbinding tussen jeugdhulp en volwassenzorg

‘Ik denk dat veel jongeren die uit huis zijn geplaatst, te maken hebben of hadden met ACE’s. En hun ouders ook. Die ouders zijn vanwege toxische stress op meerdere gebieden minder goed in staat om op te voeden. Ze willen wel, maar het alledaagse en hun eigen trauma’s verhinderen dat vaak. Hun eigen kinderen lopen ook weer een grotere kans om uit huis te worden geplaatst, ook vanwege die inschatting van veiligheid. Deze intergenerationele gelaagdheid wordt niet meegenomen in de financiering of in het kunnen samenwerken van professionals. De gemeente is vanwege Jeugdwet bezig met de vergoeding van de kindbehandelingen en volwassenzorg valt binnen de Wmo of ZvW. Dit is echt iets waar winst te behalen is. De verbinding van jeugdhulp en volwassenzorg moet meer gezien en behandeld worden als één geheel. Alleen dan kan je een gezondere samenleving krijgen.’ Voortvloeiend uit deze vijf focuspunten is Glissenaar de komende tijd bezig met twee producties: een inspiratieboek over sociale steun (focuspunt twee en drie) en een “werkboek” over voorkoming uithuisplaatsing. En ze organiseert binnenkort een expertmeeting naar aanleiding van een Tweede Kamermotie. Ook leidt ze als OZJ samen met de BGZJ het congres Alle kinderen wonen thuis?! – gezinsgerichter werken in de jeugdhulp over dit onderwerp. Haar doel is nog lang niet bereikt, maar hard aan de weg timmert Glissenaar zeker, geheel “op z’n Inekes”.

www.magazines.voordejeugd.nl | Wil je een technische kwetsbaarheid melden? Klik hier.

Nr.5 nov 2021